Roderick Egberink met Cádo Motus Aerohelm

Vijf criteria
Als je een goede helm nodig hebt, kun je hem beoordelen op vijf criteria. Gewicht, aerodynamica, pasvorm, vormgeving en veiligheid. Op de eerste drie criteria scoort de Omega Aero van Cádo Motus heel goed. Het is een lichte helm, zeker als je het vergelijkt met andere aerohelmen. De aerodynamica is dus ook uitstekend. De slim geplaatste luchtgaten zorgen voor verkoeling door de wind die langs je hoofd wordt geleid. De helm zit mij als gegoten, dus met de pasvorm zit het ook wel goed. De vormgeving is natuurlijk een kwestie van smaak.

Herkenbaarheid
Wij rijden met Dutch Food Valley CT met groene helmen, met ons logo erop. Persoonlijk vind ik dit de fraaiste helm waar ik mee gereden heb. Een ander voordeel van deze helmen is de herkenbaarheid. Als je in een peloton van ruim 150 man rijdt, is het makkelijk als je snel kan zien waar je teamgenoten zich bevinden. En als er een groep weg rijdt, kunnen we ook gelijk zien of er iemand van de ploeg bij zit.

Roderick Egberink met Cádo Motus fietshelm

"Persoonlijk vind ik dit de fraaiste helm waar ik mee gereden heb"

Het laatste criterium is de veiligheid. Ik moet eerlijk zeggen dat ik daar nooit zo op gelet heb. Ik ging er vanuit dat dit wel snor zou zitten. Maar eigenlijk zou dit criterium het allerbelangrijkst moeten zijn. Dat is namelijk waarom we een valhelm dragen.

Vroeger als nieuweling ging ik nog wel eens zonder helm trainen. Dat deden de profs immers ook, dus waarom ik niet? Gelukkig doe ik dat niet meer.

Een ongeluk zit in een klein hoekje
Zo ging ik afgelopen zomer trainen in Frankrijk. Ik had vijf uur duurtraining op het programma staan. Ik was na een uur gestopt voor een sanitaire onderbreking en stapte weer op mijn fiets. Ik had met mijn schoenplaatjes in het gras gestaan, dus er zat wat modder onder. Terwijl ik met mijn rechterhand mijn Garmin weer aanzette en mijn linkervoet in mijn klikpedaal probeerde te wringen, gleed mijn rechterhand van mijn remgreep af. Ik was zo verrast door deze onnozele beweging, dat ik niets ondernam om de aanstaande klap op te vangen. Mijn snelheid lag ongeveer rond de 5 km/u, en elke wielrenner weet dat hoe trager je gaat, hoe harder de klap. Je kunt wat betreft vallen, beter wat sneller gaan en een beetje doorrollen (schaafwonden daargelaten natuurlijk), dan in één keer tot stilstand komen. Als een zandzak knalde ik op het asfalt. Terwijl ik neerkwam, bedacht ik dat dit wel eens serieuze gevolgen kon hebben. Mijn hoofd maakte de hardste klapper, omdat deze de grootste afstand moest afleggen en dus de meeste vaart maakte. Ik bleef een paar seconde roerloos liggen, om te voelen wat er allemaal kapot was. Nadat ik voorzichtig weer rechtop was gaan zitten, mezelf naar de kant had gesleept, deed ik mijn helm af. Ik heb daar vijf minuten gewacht op de pijn, misselijkheid en duizeligheid. Maar die kwam maar niet. Ik was verbaasd. Ik bekeek mijn helm. De schaal aan de buitenkant bevatte allemaal kleine deuken van de steentjes in het ruwe asfalt, alsof ik beschoten was met een hagelgeweer. De binnenkant was echter nog helemaal in tact. Enigszins ontdaan, en een beetje boos op mijn eigen onoplettendheid, heb ik toen mijn training afgemaakt, dankbaar dat ik een goede helm op mijn domme kop had zitten.

Hier lees je ook meer over de wedstrijdtassen van Cádomotus